Categorie: Alimentatie

Indexering alimentatie

Ieder jaar moet de alimentatie worden aangepast. Dit heet de indexering. Ieder alimentatiebetaler is wettelijk verplicht deze verhoging toe te passen. Dit omdat ieder jaar het loon en prijspeil verandert. Het percentage waarmee het bedrag verhoogd moet worden wordt ieder jaar vastgesteld en bekend gemaakt door de minister van Justitie.

indexering alimentatie

Zelf in de gaten houden

De indexering gaat niet automatisch. Je krijgt er ook geen bericht van. Het is dus als alimentatiebetaler belangrijk om dit zelf goed in de gaten te houden. Doe je dit niet, dan kan de ex uiteindelijk de indexering tot vijf jaar terug gaan vorderen en dat kan om behoorlijke bedragen gaan. Ook als je eigen loon niet omhoog is gegaan blijft de indexering wettelijk verplicht.

Indexering 2018

Per januari 2018 is de alimentatie met 1,5 % verhoogd.

Meer informatie over alimentatie?

Bel met een van onze alimentatiespecialisten op 0229-295477 of mail naar info@vzbadvocaten.nl

alimentatie advocaat in de regio Hoorn, Zwaag, Medemblik, Andijk, Enkhuizen, Waterland, Edam, Volendam, Zaandam, Alkmaar, Heerhugowaard, Den Helder

Facebooktwittermail

Behoefte aan partneralimentatie?

Wanneer is er behoefte aan partneralimentatie. Het Hof Den Haag heeft hier een lezenswaardige uitspraak over gedaan.

Gerechtshof Den Haag 27 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2859

Hoofdregel is dat ieder in zijn eigen levensonderhoud voorziet

Het huwelijk tussen M en V is in 2017 door echtscheiding ontbonden. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie met ingang van 10 februari 2017 vastgesteld op € 4.875 per maand, welk bedrag na vijf jaar op nihil wordt gesteld. Zowel M als V gaan in hoger beroep.

V verzoekt het hof de door M te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 13.142 bruto per maand voor een periode van 12 jaar. M verzoekt het hof de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juli 2019 op nihil te bepalen.

Het hof overweegt als volgt. V heeft de studies Geneeskunde en Beleids- en bestuurswetenschappen beide cum laude afgerond. Na haar studies is zij in 1996 gepromoveerd en heeft zij acht jaar gewerkt als universitair hoofddocent, in welke periode zij 75 (internationale) publicaties op haar naam heeft gezet en meerdere promovendi heeft begeleid. Daarnaast heeft zij de Nederlandse volksgezondheidsprijs gewonnen. Vanaf 2005 is V als bestuurder in de gezondheidszorg werkzaam. Voor het werk van M zijn partijen verhuisd naar Canada, waarvoor V haar baan als directeur heeft opgegeven. V heeft toen twee jaar niet in Nederland gewoond, maar nog wel werkzaamheden verricht voor de onderneming van M. Inmiddels woont V al weer drie jaar in Nederland en is zij werkzaam bij een onderzoeksinstituut. Sinds haar indiensttreding in 2014 is haar inkomen aanzienlijk gestegen. Inmiddels heeft zij een inkomen van € 81.472 bruto per jaar. Weliswaar stelt V dat zij thans niet verder kan groeien in salaris, maar gezien haar uitstekende curriculum vitae en haar netwerk is het hof op dat punt een andere visie toegedaan.
Naar het oordeel van het hof zijn de opleidingsmogelijkheden van V en haar kansen op de arbeidsmarkt, ondanks haar verblijf in Canada en haar inkomensdaling, niet negatief beïnvloed door het huwelijk. Het hof verwacht dan ook dat de verdiencapaciteit van V binnen drie jaar na heden aldus zal zijn dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het inkomen van V, zo nodig in een andere baan, in de toekomst nog zal stijgen.

Anders dan V meent, is geen sprake van een recht op alimentatie gedurende 12 jaar, maar kan er slechts een aanspraak zijn op alimentatie indien sprake is van behoefte aan de zijde van de alimentatiegerechtigde en draagkracht aan de zijde van de alimentatieplichtige. Het hof gaat ervan uit dat V zich zal inspannen haar inkomen de komende drie jaar op een zodanig niveau te brengen dat zij daardoor over drie jaar in haar eigen behoefte kan voorzien.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt de door M te betalen partneralimentatie met ingang van 10 februari 2017 op € 4.875 per maand en met ingang van 27 september 2020 op nihil.

Facebooktwittermail

Alimentatie en zwarte inkomsten

Heeft de man al zijn inkomsten uit zijn optredens als artiest opgegeven aan de belastingdienst, of is er sprake van zwart inkomen zoals gesteld door de vrouw?

Deze kwestie over alimentatie en zwarte inkomsten speelde in een procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het Hof overwoog als volgt:

De vrouw stelt dat de man in het verleden veel zwart werkte en dat dit nog steeds zo is. Zij heeft haar stelling dat de man veel meer optreedt dan is verwerkt in zijn boekhouding onderbouwd door diverse aankondigingen van optredens door de man in het geding te brengen. De man heeft erkend dat hij in het verleden zwart werkte, maar stelt dat zijn inkomsten erg zijn teruggelopen na de scheiding omdat partijen eerst als duo optraden. Voorts stelt de man dat hij thans in het geheel geen zwarte inkomsten meer heeft, omdat hij anders zijn WW-uitkering in gevaar zou brengen. Naar het oordeel van het hof heeft de man de gemotiveerde stelling van de vrouw onvoldoende onderbouwd weersproken. De man heeft over 2014 en 2015 wel een aantal nota’s en een overzicht van de gegeven optredens in het geding gebracht maar hierin zijn niet alle door de vrouw aangedragen optredens verwerkt. Daarbij heeft de man nagelaten om bijvoorbeeld een uitdraai van zijn agenda in het geding te brengen en ten aanzien van elk door de vrouw aangedragen optreden inzichtelijk te maken wat hij hiervoor heeft ontvangen. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte stukken blijkt van dusdanig veel optredens dat dit – in elk geval zonder nadere toelichting van de zijde van de man die echter ontbreekt – niet valt te rijmen met de zeer summiere inkomsten die de man met zijn onderneming genereert. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man nog steeds zwarte inkomsten heeft. Ten tijde van het uiteengaan van partijen hebben zij bij de berekening van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie rekening gehouden met zwarte inkomsten van de man ter hoogte van € 8.544,- per jaar. Het hof wil wel aannemen dat het wegvallen van de vrouw en het verstrijken van de tijd enige invloed heeft gehad op het aantal optredens dat de man verzorgt. Het hof acht het daarom redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de helft van de netto inkomsten die de man voorheen had, zijnde € 4.272,- per jaar.

Voor de volledige uitspraak: klik hier

partneralimentatie Hoorn

Meer informatie over alimentatie en zwarte inkomsten?

Neem contact op met een van onze gespecialiseerde advocaten op 0229-295477 of mail naar info@vzbadvocaten.nl

Advocaat alimentatie in de regio: Hoorn, Zwaag, Andijk, Wieringerwaard, Enkhuizen, Hoogkarspel, Volendam, Edam, Waterland, Scharwoude, Heerhugowaard, Zaandam, Alkmaar

Facebooktwittermail

Moet een stiefouder kinderalimentatie betalen?

Moet een stiefouder kinderalimentatie betalen? En wat gebeurt er als de ouders zelf voldoende draagkracht hebben, moet de stiefouder dan ook nog steeds betalen?

Wanneer wordt stiefouder onderhoudsplichtig?

Als de ouder en de nieuwe partner gaan samenwonen, dan is de nieuwe partner nog niet onderhoudsplichtig. Als de ouder en de nieuwe partner met elkaar trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, dan wordt de nieuwe partner ‘stiefouder’ en ontstaat er een onderhoudsverplichting. De kinderalimentatie kan dan wijzigen.

Deze verplichting geldt alleen tijdens het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Eindigt het huwelijk met de ouder, dan vervalt ook de onderhoudsplicht van de stiefouder.

Alleen voor kinderen die tot het gezin behoren

De onderhoudsplicht van de stiefouder geldt alleen voor kinderen die ‘tot het gezin’ van de stiefouder en de ouder behoren. Als de stiefouder en de ouder niet meer samenwonen eindigt de onderhoudsplicht. De kinderen behoren dan namelijk niet meer ‘tot het gezin’ van de stiefouder.

vzbadvocaten.nl

Meerdere onderhoudsplichtigen

Soms zijn er meerdere personen onderhoudsplichtig op grond van de wet, bijvoorbeeld de eigen ouders en de stiefouder. Hoe verdeel je dan de kinderalimentatie?

De wet bepaalt geen rangorde tussen de ouders en stiefouder. In principe wordt er dus gelijk verdeeld, maar de omvang van de onderhoudsplicht kan wel afhangen van de omstandigheden van het geval. Een belangrijke factor is dat tussen een ouder en een kind een nauwere verwantschap bestaat. Er zal dus altijd gekeken moeten worden naar de bijzondere verhouding waarin de ouders en stiefouder tot het kind staan.

Uitspraak Hof Amsterdam, toch een soort rangorde?

Het Hof Amsterdam heeft recent in een procedure geoordeeld over een soortgelijke zaak. Zij beantwoorden de vraag: hoe dient de onderhoudsplicht van de stiefouder vorm te krijgen als de vader en moeder zelf voldoende draagkracht hebben? 

“Het hof neemt als omstandigheden in aanmerking dat er sprake is van een regelmatig contact tussen de man en de minderjarige, en de stiefouder pas sinds 10 juli 2015 stiefouder van de minderjarige is. Zowel de draagkracht van de man als die van de stiefouder zijn toereikend om in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Zouden onderhoudsbijdragen van de drie onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht worden vastgesteld, dan zou dat betekenen dat een aanzienlijk deel van de behoefte van de minderjarige voor rekening van de stiefouder komt. Dat acht het hof geen redelijke verdeling in het licht van bovenvermelde omstandigheden. Het hof ziet dan ook aanleiding om de onderhoudsverplichting van de stiefouder te stellen op 1/3 deel van de behoefte van de minderjarige en de overige 2/3 deel van de behoefte naar rato van draagkracht te verdelen tussen de man en de vrouw.”

Volledige uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3300

Meer informatie over stiefouder en kinderalimentatie?

Voor meer informatie over stiefouder en kinderalimentatie kunt u contact opnemen met een van onze gespecialiseerde advocaten op het gebied van alimentatie op telefoonnummer 0229-295477 of via info@vzbadvocaten.nl

Alimentatie advocaat in de regio Hoorn, Zwaag, Scharwoude, Enkhuizen, De Goorn, Volendam, Edam, Waterland, Purmerend, Heerhugowaard, Alkmaar

Facebooktwittermail

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Partneralimentatie en kindgebonden budget: hof stelt nieuwe prejudiciële vraag

Casus:

M en V zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de door M aan V te betalen partneralimentatie. M verzoekt het hof te bepalen dat hij geen partneralimentatie is verschuldigd. Het hof beoordeelt hoe het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop in deze beoordeling moeten worden betrokken.

partneralimentatie Hoorn

Hoge Raad in een eerder arrest

De Hoge Raad oordeelde op 9 oktober 2015 (JUR ECLI:NL:HR:2015:3011) dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop moeten daarom worden beschouwd als inkomensondersteuning van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

Gevolgen voor de berekening van partneralimentatie

De gevolgen hiervan voor de vaststelling van partneralimentatie is vervolgens verschillend beoordeeld in de rechtspraak.

De ene stroming houdt in dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop moeten worden beschouwd als (eigen) inkomen van degene die de bijdrage ontvangt, zodat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van invloed zijn op de hoogte van de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde in die zin dat zij de (aanvullende) behoefte en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verminderen.

De andere stroming houdt in dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van aanvullende aard zijn, vergelijkbaar met huur- en zorgtoeslag, die buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de bepaling van de behoefte van degene die deze bijdrage ontvangt.

Ook in de literatuur zijn verschillende standpunten te vinden. Aan de ene kant wordt verdedigd dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bij de vaststelling van de (aanvullende) behoefte in aanmerking moeten worden genomen omdat sprake is van inkomensondersteuning voor de verzorgende ouder. Aan de andere kant wordt bepleit dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop daarbij buiten aanmerking moeten blijven, omdat de onderhoudsverplichting van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere prevaleert boven de door de staat aan de laatste geboden inkomensondersteuning indien deze niet (volledig) in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Nieuwe vraag aan de Hoge Raad

Gelet op de verschillende opvattingen en het grote verschil in uitkomst in dit geval, ziet het hof aanleiding voor het ambtshalve stellen van de volgende prejudiciële vraag: ‘Moet in het kader van de vaststelling van de op de voet van artikel 1:157 BW door de ene aan de andere (gewezen) echtgenoot verschuldigde uitkering tot levensonderhoud rekening worden gehouden met het door de onderhoudsgerechtigde echtgenoot ontvangen kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit te beschouwen als inkomen van laatstgenoemde echtgenoot, met als gevolg dat het kindgebonden budget in mindering strekt op diens behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud, dan wel is bij het kindgebonden budget sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage bij het vaststellen van die behoefte buiten beschouwing moet worden gelaten en enkel bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde (in het kader van de jusvergelijking) in aanmerking moet worden genomen?

Bij wijze van voorlopige beslissing volgt het hof het standpunt in verschillende reeds gegeven arresten. Het hof telt het door V ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop op bij het eigen inkomen van V. Daarop wordt in mindering gebracht het vastgestelde aandeel in de kosten van de kinderen dat voor rekening komt van V.

Gerechtshof Den Haag 22 februari 2017, CLI:NL:GHDHA:2017:412

advocaat alimentatie Hoorn, Volendam, Alkmaar, Enkhuizen, Den Helder

 

Facebooktwittermail

proceskostenvergoeding in familierechtzaken

Proceskostenvergoeding of compensatie?

In procedures tussen voormalige levensgezellen worden de proceskosten veelal gecompenseerd. Dit betekent dat  ieder van de partijen de eigen kosten draagt.  De ervaring leert dat rechter terughoudend zijn als het gaat om het veroordelen van een partij in de proceskosten in familiezaken. Een veel gehoord argument is dat er kinderen in het spel zijn, zodat een proceskostenveroordeling de familieverhoudingen onnodig op scherp zal stellen.

proceskostenvergoeding

Proceskostenvergoeding bij onnodig procederen in het familierecht

De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Hij kan een partij in de proceskosten van de andere partij veroordelen, bijvoorbeeld als de in het ongelijk gestelde partij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet.

Het gebeurt steeds vaker dat er bij onnodig procederen in familierechtzaken een proceskostenveroordeling volgt.

Zo ook in onderstaande procedure.

Casus proceskostenvergoeding familierecht

Partijen hebben een affectie relatie gehad die begin 2014 is verbroken.  De vrouw merkte eind 2014  dat zij vier maanden zwanger was en heeft de man medegedeeld dat hij de vader is. Vanaf dat moment heeft de man de vrouw vaak  verzocht mee te werken aan een DNA-onderzoek. De vrouw heeft hieraan niet meegewerkt, zodat de man wel een procedure moest starten, omdat hij niet de mogelijkheid had een DNA-onderzoek te vorderen en anderzijds omdat hij in het geval hij wel de vader was ook die rol wenste te vervullen. Pas tijdens de mondelinge behandeling eind 2015 erkende de vrouw dat ook een ander dan de man de biologische vader kan zijn. Pas dan stemt zij in met een DNA-onderzoek, waaruit volgde dat de man niet de biologische vader kan zijn.

Het Hof oordeelde dat van de vrouw mocht  worden verwacht, dat zij in ieder geval kort na de geboorte  aan een DNA-onderzoek had meegewerkt en het initiatief daartoe had genomen. Daarmee was elke (verdere) procedure voorkomen of in ieder geval elke nodeloze voortzetting daarvan. De vrouw wordt in de kosten veroordeeld.

Lees hier de volledige uitspraak: klik hier

advocaat erkenning, omgangsregeling, gezag, alimentatie in de omgeving Hoorn, Volendam, Enkhuizen, Zwaag, Den Helder, Grootebroek, Scharwoude, Purmerend

Facebooktwittermail

Indexering alimentatie 2017

Jaarlijks stelt de Minister van Justitie een indexeringspercentage voor alimentatie vast. Deze indexering van alimentatie geldt zowel voor partneralimentatie als voor kinderalimentatie.

Indexering alimentatie 2017

Inmiddels is bekend dat per 1 januari 2017 de vastgestelde alimentatiebedragen met 2,1 % verhoogd moeten worden.

indexering alimentatie

Zelf indexering aanpassen

De nieuwe alimentatiebedragen dient u zelf per januari 2017 aan te passen.

Alimentatieplichtigen dienen de vastgestelde alimentatie telkens voor de eerste dag van iedere nieuwe maand aan alimentatiegerechtigden te hebben voldaan.
alimentatie advocaat omgeving Hoorn, Enkhuizen, Volendam

Facebooktwittermail

Minder lang partneralimentatie betalen

Voor partneralimentatie gelden de volgende wettelijke termijnen:

  • maximaal 12 jaar voor een huwelijk met kinderen;
  • maximaal 12 jaar voor een huwelijk zonder kinderen als het huwelijk langer duurde dan 5 jaar;
  •  Zolang als het huwelijk duurde bij een huwelijk korter dan 5 jaar zonder kinderen.

Na de wettelijke termijn stopt de betalingsverplichting automatisch.

Minder lang alimentatie betalen

De afgelopen maand zijn er door het Gerechtshof Den Haag twee uitspraken gedaan, waarin is geoordeeld dat de vrouw recht heeft op drie jaar alimentatie in plaats van op de wettelijke termijn van 12 jaar. De man diende dus minder lang partneralimentatie te betalen.

Partneralimentatie advocaat

Redenen minder lang partneralimentatie betalen

De redenen die het Gerechtshof gaf voor het verkorten van de duur van de partneralimentatie waren o.a.:

  • de opleiding van de vrouw
  • haar ruime werkervaring
  • het huwelijk van partijen dat kinderloos is gebleven
  • de omstandigheid dat de vrouw niet meer de intensieve zorg heeft voor haar zoon uit een eerdere relatie
  • de relatief jonge leeftijd van de vrouw (46 jaar)
  • het relatief korte huwelijk van partijen

Klik hier voor de eerst uitspraak

klik hier voor de tweede uitspraak

Vrijblijvend advies over partneralimentatie?

voor vragen of advies kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen met een van onze gespecialiseerde advocaten op 0229-295477 of per email op info@vzbadvocaten.nl

alimentatie advocaat Hoorn

alimentatie advocaat Alkmaar

alimentatie advocaat Volendam

alimentatie advocaat Enkhuizen

alimentatie advocaat Stede Broec

Facebooktwittermail

Woonlasten en kinderalimentatie

Met welke woonlast wordt rekening gehouden bij het bereken van de kinderalimentatie?

forfaitair rekensysteem bij kinderalimentatie

In de rechtspraak is met betrekking tot de berekening van kinderalimentatie gekozen voor een forfaitair rekensysteem voor wat betreft de woonlasten waarmee rekening gehouden wordt. De achterliggende reden hiervoor is onder meer het voorkomen van discussie over de hoogte van de bedragen waarmee gerekend dient te worden.

Uitgangspunt is dat bij de berekening van kinderalimentatie gerekend wordt met een woonlast van 30% van het netto inkomen. Er wordt bij kinderalimentatie dan dus geen rekening gehouden met de werkelijke woonlasten, maar met een fictief bedrag per maand.

Hierbij is wel van belang dat kinderalimentatie maatschappelijk gezien een zeer hoge prioriteit heeft en dat bij de vaststelling van kinderalimentatie in beginsel rekening gehouden dient te worden met alle feiten en omstandigheden van het geval.

woonlast en kinderalimentatie

Gerechtshof Den Haag; werkelijke woonlast bij berekenen kinderalimentatie

Gerechtshof Den Haag hield onlangs geen rekening met de forfaitaire woonlasten, maar met de werkelijke woonlasten. Het hof bepaalde daar dat de werkelijke woonlast aanzienlijk lager was dan de forfaitaire woonlast, zodat het in het kader van de kinderalimentatie rekening was om de werkelijke (lagere) woonlast rekening te houden.

Voor de hele uitspraak van het Hof Den Haag: klik hier

Vlaar-Zillikens-Bosch-Advocaten-Hoorn-Volendam-

advocaat alimentatie Hoorn

advocaat alimentatie Alkmaar

Facebooktwittermail