Jaar: 2016

Kinderalimentatie: werkelijke of forfaitaire woonkosten?

Is bij de berekening van de kinderalimentatie terecht uitgegaan van de forfaitaire woonkosten nu de werkelijke woonkosten aanmerkelijk lager zijn?

Het Hof Den Haag heeft hierover een beschikking gewezen en geoordeeld dat het berekenen van kinderalimentatie maatwerk blijft.

Het Hof overwoog dat, aangezien er een aanmerkelijke discrepantie was tussen de werkelijke woonkosten en de forfaitaire woonkosten, dit ten koste zou gaan van de kinderen. Het Hof is gelet hierop van oordeel dat het hanteren van het forfaitair systeem in het onderhavige geval in strijd met de uitgangspunten van de wetgever is. Er is in dit systeem gekozen voor behoefte en draagkracht op grond van de werkelijke gegevens (maatwerk).

Voor de hele uitspraak: Gerechtshof Den Haag, 13-07-2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:2310

Facebooktwittermail

ongeluk bij uitlaten hond

Casus ongeluk bij uitlaten hond

Tijdens uitlaten van haar hond in een aanlijngebied wordt verzoekster geconfronteerd met een loslopende hond die haar hond probeert te benaderen. Om dit te voorkomen heeft verzoekster de halsband van de voor haar onbekende hond vastgepakt Zij heeft daarbij haar evenwicht verloren en is ten val is gekomen waarbij zij haar heup heeft gebroken.

Verzekeraar beroept zich op eigen schuld

De aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van de loslopende hond erkent aansprakelijkheid maar heeft 50% eigen schuld aan verzoekster toegerekend.

Geen eigen schuld bij ongeluk uitlaten van de hond

De kantonrechter overweegt dat het ongeluk is gebeurd in een aanlijngebied. Het ongeval is niet (mede) te wijten aan het gedrag van hond van verzoekster, maar enkel aan de omstandigheid dat de hond van verweerster niet was aangelijnd. De omstandigheid dat verzoekster de hond van verweerster bij zijn halsband heeft vastgepakt is een logische en geen roekeloze reactie en dus geen gedraging die aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:101 BW.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:4523

Voor gratis informatie letselschade Hoorn, Zwaag, Enkhuizen: bel 0229-295477 of mail: info@vzbadvocaten.nl

Voor gratis informatie letselschade Volendam, Purmerend, Zaandam: bel 0229-295477 of mail: info@vzbadvocaten.nl

Voor gratis informatie letselschade Alkmaar: bel 0229-295477 of mail: info@vzbadvocaten.nl

Facebooktwittermail

Prijzengeld Postcodeloterij valt in faillissementsboedel

M en V zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Sinds 2014 speelt V – met twee loten – in de Nationale Postcode Loterij. Zij betaalt de loten van de bankrekening die op haar naam staat. In juni 2014 wordt M failliet verklaard en maakt sindsdien gebruik van de bankrekening van V. In februari 2015 valt de Postcode Loterij-straatprijs op de loten van V, die daarmee een bedrag van € 50.000 wint. De curator in het faillissement van M verzoekt de rechtbank (1) te verklaren dat het prijzengeld in de faillissementsboedel is gevallen en (2) V te veroordelen tot het overmaken van het prijzengeld. Volgens de curator dient het gewonnen geldbedrag te worden aangemerkt als een ‘goed, voortgesproten uit belegging’ (artikel 61 lid 1 Fw) en valt het in de faillissementsboedel, aangezien V niet kan aantonen dat het geld is voortgesproten uit beleggingen van haar eigen gelden. V beroept zich op artikel 61 lid 4 Fw, op grond waarvan het voor haar mogelijk is het gewonnen prijzengeld uit het faillissement terug te nemen. Volgens V heeft zij de loten uit eigen middelen gekocht, nu zij deze heeft betaald van haar rekening die op haar naam staat. V betoogt dat zij de loten heeft gekocht na het storten van haar salaris, waardoor zij meer dan de helft heeft ingebracht op de bankrekening. Dat M sinds het faillissement ook gebruik maakt van haar rekening, is volgens V niet relevant nu zij en M niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Betaling van de inleg in een loterij geeft de deelnemer recht op een lot. Indien op dat lot een prijs valt, heeft de deelnemer recht op uitbetaling van die prijs. Dat betekent dat de prijs dan is voortgesproten uit de belegging van gelden, namelijk de aankoop van een lot. Artikel 61 lid 4 Fw is derhalve op die prijs wel van toepassing, en het is aan V om te bewijzen dat het prijsgeld aan haar toebehoort. Daarvoor zal zij moeten bewijzen (1) dat zij de eigendom van de loten heeft verkregen, alsmede (2) dat zij de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft gefinancierd. V stelt dat, omdat de bankrekening op haar naam staat, het geld op deze bankrekening ook als haar ‘eigen middelen’ moet worden beschouwd. De rechtbank volgt die stelling niet. De tenaamstelling van een bankrekening geeft weliswaar aan wie ten opzichte van de bank gerechtigd is om over een saldo te beschikken, maar bepaalt niet wie in onderliggende verhoudingen tot het saldo gerechtigd is. Dat de bankrekening op naam van V staat, brengt dus niet automatisch met zich dat het geld op de bankrekening volledig aan haar toekomt en dat van goederen die met dit geld worden gekocht ook kan worden gezegd dat deze met haar middelen zijn betaald. De omstandigheid dat V ook al loten kocht van deze rekening voordat deze gezamenlijk werd gebruikt en dat zij het geld voor de loten ook zelfstandig kan voldoen, is evenmin relevant. Beoordeeld dient te worden of de loten waarmee de prijs is gewonnen, door V voor meer dan de helft met eigen middelen zijn betaald.
Zowel het salaris van M als dat van V werden vanaf de datum van het faillissement op de bankrekening gestort. Vanaf dat moment was dit de enige rekening die door M en V werd gebruikt. Zij gebruikten de rekening vanaf dat moment dus gezamenlijk. Het gevolg hiervan is dat vermenging is opgetreden en dat een gemeenschap moet worden aangenomen waartoe M en V zijn gerechtigd overeenkomstig hun aandeel in het tegoed. Voor het bepalen van het aandeel van V in het tegoed, is van belang (1) wat het saldo van de rekening was toen zij en M de rekening gezamenlijk gingen gebruiken en (2) met welke bedragen zij en M de rekening vanaf dat moment hebben gevoed. Hieruit volgt dat het aandeel van V niet kan worden vastgesteld aan de hand van de laatste bijstortingen, zonder naar eerdere mutaties te kijken. Het is bij gezamenlijk gebruik van een rekening niet zo dat degene die als laatste heeft gestort, een vervolgens met geld van die rekening gekocht goed ook voor meer dan de helft uit eigen middelen heeft betaald. Om aan te nemen dat V de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft betaald, dient V aan te tonen dat zij vanaf het moment van gezamenlijk gebruik méér op de rekening heeft ingebracht dan M. Dit heeft V nagelaten. Dat leidt tot de conclusie dat V er niet in is geslaagd te bewijzen dat het prijzengeld moet worden aangemerkt als een goed dat is voortgesproten uit de belegging van aan haar toebehorende gelden. Nu dit een dwingende voorwaarde betreft om goederen terug te kunnen nemen uit het faillissement, moet worden aangenomen dat het prijzengeld in het faillissement van M valt. De rechtbank wijst de vorderingen van de curator toe.
Volledig uitspraak: klik hier

Facebooktwittermail

beslag door erfgenamen op legitieme portie

Conservatoir beslag door erfgenamen ook mogelijk als hun vordering nog niet-opeisbaar is

Naar aanleiding van het overlijden van hun vader die in 2001 is overleden, hebben de kinderen tijdig een beroep gedaan op hun legitieme portie. Op grond van de bepalingen in het testament hebben de kinderen hierdoor een niet-opeisbare geldvordering verkregen op hun stiefmoeder. Omdat de kinderen vrezen dat hun vorderingen niet worden voldaan, hebben zij conservatoir beslag gelegd. De stiefmoeder vordert tevergeefs om opheffing van dit beslag. Volgens de Hoge Raad is het blijkens de wetsgeschiedenis niet uitgesloten dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die nog niet opeisbaar is. Verder verwerpt de Hoge Raad de stelling van de stiefmoeder dat een legitimaris niet alleen binnen de termijn van artikel 128 lid 2 Overgangswet NBW heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen, maar dat tevens is vereist dat de legitieme portie binnen die termijn daadwerkelijk wordt opgeëist. Volgens de Hoge Raad is dit laatste niet nodig.

erfrecht advocaat Hoorn, erfrecht advocaat Volendam, Edam, Purmerend, Advocaat erfrecht Alkmaar: bel 0229-295477 of mail: info@vzbadvocaten.nl

Facebooktwittermail

Niet vast te stellen wie door rood reed, wie is aansprakelijk?

Verkeersrecht 2016/115

Niet vast te stellen wie door rood reed, wie is aansprakelijk?

Een automobilist en motorrijder komen tot een botsing op een kruising. Niet is komen vast te staan wie door rood reed. Met toepassing van HR 8 juli 2011 wordt er vanuit gegaan dat, in die situatie waarin niet is komen vast te staan wie door rood reed en tegelijkertijd vaststaat dat niet beide partijen groen licht hebben gehad, gedaagde groen licht had. Ondanks dat gedaagde door groen gereden is, er sprake was van een groene golf, en hij op een voorrangsweg reed, wordt gedaagde in doorslaggevende mate voor het ontstaan van het ongeval aansprakelijk geacht. Aanleiding hiertoe is dat gedaagde met onverminderde snelheid het kruispunt is opgereden, er sprake was van alcoholgebruik, en hij niet naar rechts heeft gekeken. Eiser, motorrijder, heeft op zijn beurt aan het ongeval bijgedragen door onoplettend het kruispunt over te steken. Met toepassing van de billijkheidscorrectie wordt automobilist voor 80% en motorrijder voor 20% verantwoordelijk geacht nu de gemaakte fouten aan de zijde van automobilist (alcoholgebruik en een te hoge snelheid op het kruispunt) zwaarder wegen dan de aan beide partijen toe te rekenen onoplettendheid.

letselschade Hoorn

Lees hier de hele uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3594

Facebooktwittermail

Botsing fietser en kat, wie is aansprakelijk?

Botsing tussen een fietser en kat, wie is aansprakelijk?

Een fietser heeft een vermoedelijke eigenaar/houder van een kat voor de rechter gedaagd nadat hij tegen een kat is gebotst. De kat overlijdt en de fietser heeft aanzienlijke letselschade.

Wie is aansprakelijk voor de schade?

Wie is aansprakelijk

De bezitter van een dier is (risico)aansprakelijk voor de schade die het dier toebrengt aan anderen. Schuld speelt daarbij geen rol. Een bezitter is iemand die het dier voor zichzelf houdt. Meestal zal dit de eigenaar zijn. Maar het kan bijvoorbeeld ook de manegehouder zijn, die jouw paard gebruikt voor lessen. De buurjongen die je hond uitlaat is geen bezitter. Hij houdt de hond namelijk niet voor zichzelf.

Er zijn gevallen waarbij de bezitter/eigenaar niet aansprakelijk is. Dit is het geval bij bijvoorbeeld overmacht of noodweer of als aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 BW zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

letselschade dier
letselschade Hoorn

Terug naar de casus

De fietser heeft in deze casus niet kunnen aantonen dat gedaagde houder dan wel eigenaar is van de kat.Gelet hierop heeft de rechtbank gedaagde naar verkeersopvatting en/of op grond van uiterlijke feiten  niet als houder/bezitter van de kat in de zin van artikel 3:108 BW aangemerkt. Van aansprakelijkheid van gedaagden op grond van artikel 6:179 BW voor de als gevolg van het ongeval door [eiser] geleden en nog te lijden schade is dan ook geen sprake.

De vordering van de fietser is door de rechter afgewezen.

voor de uitspraak: klik hier

letselschade advocaat Hoorn

letselschade advocaat Volendam

Facebooktwittermail

Hoge schulden en kinderalimentatie

De rechtbank ziet in de hoge schuldenlast van de man waarop hij al langdurig aflost en waardoor hij al geruime tijd moet rondkomen van € 60,00 per week aanleiding om vooruitlopend op het traject van vrijwillige schuldhulpverlening de kinderbijdrage op nihil te stellen

Voor de volledige uitspraak: klik hier

advocaat kinderalimentatie Hoorn, Zwaag

advocaat kinderalimentatie Enkhuizen, Bovenkarspel

advocaat kinderalimentatie Volendam

Facebooktwittermail

schadevergoeding na brandwonden

Yogalerares loopt brandwonden op door een exploderend theekopje. Ze heeft hierdoor hete thee over haar beide bovenbenen kreeg en eerste- en tweedegraads brandwonden opgelopen

De yogalerares vordert in een kort geding een voorschot van € 200.000,– op schadevergoeding. Deze schade heeft vooral betrekking op verlies aan arbeidsvermogen.

De rechter wijst een voorschot van € 7.500,- toe.

Voor de uitspraak: klik hier

 

Facebooktwittermail

echtscheiding grond voor opzeggen arbeidsovereenkomst?

Opzegging arbeidsovereenkomst met werknemer omdat ze gaat scheiden van DGA van het bedrijf. Is opzegging gegrond?

Rechtbank overweegt als volgt:

De vraag die  aan de orde komt is die van een rechtmatige opzegging. De kantonrechter kan hier kort zijn. In de brief van 25 oktober 2015 geeft werkgever als grond voor de opzegging de voorgenomen echtscheiding met de directeur/groot aandeelhouder en het als gevolg daarvan bestaan van een onwerkbare situatie. Werkneemster heeft echter niet ingestemd met de opzegging. In de onderhavige procedure is geen zelfstandig, eventueel voorwaardelijk, verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingediend zodat de vraag naar de aanwezigheid van een ontslaggrond niet aan de orde is gekomen. Daarom is het bestaan van een ontslaggrond niet vast komen te staan en is de opzegging onrechtmatig.

Werkgever stelt vervolgens nog dat werknemer niet tijdig de nietigheid van het gegeven ontslag heeft ingeroepen gelet op de vervaltermijn van twee maanden. Ingevolge 7:686 BW geldt een vervaltermijn van twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Nu de opzegging is geschied tegen 31 december 2015 is werknemer tijdig opgekomen tegen de opzegging.

Rb vernietigt opzegging

De opzegging van de arbeidsovereenkomst zal als zijnde onrechtmatig worden vernietigd en werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon zoals verzocht, inclusief de wettelijke verhoging.

Kortom, echtscheiding werknemer en DGA is geen grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Facebooktwittermail

Achterstallige kinderalimentatie, gijzeling

Door betalingsonwil loopt achterstallige kinderalimentatie op tot € 12.000.

Hof: in aanmerking nemende dat dit de tweede gijzelingsprocedure tussen partijen is en dat er blijkens de stellingen van de man geen sprake is van betalingsonmacht, concludeert het hof dat de man kennelijk volhardt in zijn weigering de verschuldigde kinderalimentatie vrijwillig aan de vrouw te betalen. Het hof ziet hierin aanleiding om te oordelen dat de voorzieningenrechter op goede gronden heeft bepaald dat de gijzeling voor een periode van één jaar wordt verleend en de man terecht heeft veroordeeld in de proceskosten.

Hof bekrachtigt vonnis rechtbank. Lijfsdwang 1 jaar vanwege niet nakomen betaling kinderalimentatie. Voorts volgt er een proceskostenveroordeling

Facebooktwittermail