Prijzengeld Postcodeloterij valt in faillissementsboedel

M en V zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Sinds 2014 speelt V – met twee loten – in de Nationale Postcode Loterij. Zij betaalt de loten van de bankrekening die op haar naam staat. In juni 2014 wordt M failliet verklaard en maakt sindsdien gebruik van de bankrekening van V. In februari 2015 valt de Postcode Loterij-straatprijs op de loten van V, die daarmee een bedrag van € 50.000 wint. De curator in het faillissement van M verzoekt de rechtbank (1) te verklaren dat het prijzengeld in de faillissementsboedel is gevallen en (2) V te veroordelen tot het overmaken van het prijzengeld. Volgens de curator dient het gewonnen geldbedrag te worden aangemerkt als een ‘goed, voortgesproten uit belegging’ (artikel 61 lid 1 Fw) en valt het in de faillissementsboedel, aangezien V niet kan aantonen dat het geld is voortgesproten uit beleggingen van haar eigen gelden. V beroept zich op artikel 61 lid 4 Fw, op grond waarvan het voor haar mogelijk is het gewonnen prijzengeld uit het faillissement terug te nemen. Volgens V heeft zij de loten uit eigen middelen gekocht, nu zij deze heeft betaald van haar rekening die op haar naam staat. V betoogt dat zij de loten heeft gekocht na het storten van haar salaris, waardoor zij meer dan de helft heeft ingebracht op de bankrekening. Dat M sinds het faillissement ook gebruik maakt van haar rekening, is volgens V niet relevant nu zij en M niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Betaling van de inleg in een loterij geeft de deelnemer recht op een lot. Indien op dat lot een prijs valt, heeft de deelnemer recht op uitbetaling van die prijs. Dat betekent dat de prijs dan is voortgesproten uit de belegging van gelden, namelijk de aankoop van een lot. Artikel 61 lid 4 Fw is derhalve op die prijs wel van toepassing, en het is aan V om te bewijzen dat het prijsgeld aan haar toebehoort. Daarvoor zal zij moeten bewijzen (1) dat zij de eigendom van de loten heeft verkregen, alsmede (2) dat zij de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft gefinancierd. V stelt dat, omdat de bankrekening op haar naam staat, het geld op deze bankrekening ook als haar ‘eigen middelen’ moet worden beschouwd. De rechtbank volgt die stelling niet. De tenaamstelling van een bankrekening geeft weliswaar aan wie ten opzichte van de bank gerechtigd is om over een saldo te beschikken, maar bepaalt niet wie in onderliggende verhoudingen tot het saldo gerechtigd is. Dat de bankrekening op naam van V staat, brengt dus niet automatisch met zich dat het geld op de bankrekening volledig aan haar toekomt en dat van goederen die met dit geld worden gekocht ook kan worden gezegd dat deze met haar middelen zijn betaald. De omstandigheid dat V ook al loten kocht van deze rekening voordat deze gezamenlijk werd gebruikt en dat zij het geld voor de loten ook zelfstandig kan voldoen, is evenmin relevant. Beoordeeld dient te worden of de loten waarmee de prijs is gewonnen, door V voor meer dan de helft met eigen middelen zijn betaald.
Zowel het salaris van M als dat van V werden vanaf de datum van het faillissement op de bankrekening gestort. Vanaf dat moment was dit de enige rekening die door M en V werd gebruikt. Zij gebruikten de rekening vanaf dat moment dus gezamenlijk. Het gevolg hiervan is dat vermenging is opgetreden en dat een gemeenschap moet worden aangenomen waartoe M en V zijn gerechtigd overeenkomstig hun aandeel in het tegoed. Voor het bepalen van het aandeel van V in het tegoed, is van belang (1) wat het saldo van de rekening was toen zij en M de rekening gezamenlijk gingen gebruiken en (2) met welke bedragen zij en M de rekening vanaf dat moment hebben gevoed. Hieruit volgt dat het aandeel van V niet kan worden vastgesteld aan de hand van de laatste bijstortingen, zonder naar eerdere mutaties te kijken. Het is bij gezamenlijk gebruik van een rekening niet zo dat degene die als laatste heeft gestort, een vervolgens met geld van die rekening gekocht goed ook voor meer dan de helft uit eigen middelen heeft betaald. Om aan te nemen dat V de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft betaald, dient V aan te tonen dat zij vanaf het moment van gezamenlijk gebruik méér op de rekening heeft ingebracht dan M. Dit heeft V nagelaten. Dat leidt tot de conclusie dat V er niet in is geslaagd te bewijzen dat het prijzengeld moet worden aangemerkt als een goed dat is voortgesproten uit de belegging van aan haar toebehorende gelden. Nu dit een dwingende voorwaarde betreft om goederen terug te kunnen nemen uit het faillissement, moet worden aangenomen dat het prijzengeld in het faillissement van M valt. De rechtbank wijst de vorderingen van de curator toe.
Volledig uitspraak: klik hier

Facebooktwittermail